BIENNALE VAN VENETIE : KUNST MOET LEVENDIG ZIJN

Venetie2017-01.jpg

David Medalla en Adam Nankervis, Mondriaan Fanclub

 

Niet minder dan 120 kunstenaars zijn door curator Christine Macel (Parijs,1969) opgenomen in de 57ste Biënnale van Venetië. Slechts 17 van hen waren al op eerdere Biënnales in Venetië vertegenwoordigd. De meeste kunstenaars zijn dus nieuw hoewel velen er opmerkelijk genoeg al een carrière hebben opzitten en niet meer behoren tot de ‘jonge avant garde’. Dat is ondermeer het geval met de Braziliaan Paulo Bruscky (1949), de Hongaar Tibor Hajas (1946-1980), de in Londen levende Filippijnse performance kunstenaar David Medalla (1938) en de OHO Group  die van 1966-1971 opereerde in het voormalige Joegoslavië. Meestal gaat het om kunstenaars die niet zijn doorgedrongen, of dat niet hebben nagestreefd, om te behoren tot het circuit van de kunstmarkt. Opvallend zijn bijvoorbeeld de reeks kinetische werken van ene Cubaanse Zilia Sanchez (1926) in de tentoonstellingshal van het Arsenale. Pas na 2013 is haar oeuvre, op enkele uitzonderingen na, buiten Puerto Rico getoond. Anno 2017 zou je haar werken niet meer verwachten op een Biënnale als deze. Haar late ontdekking duidt er op dat de kunstmetropolen van vroeger, zijnde Parijs en New York, onvolledig zijn geweest in het beeld dat ze ons hebben voorgehouden van wat er wereldwijd aan kunst werd voortgebracht in die tijd. De aanwezigheid van een groep vergeten kunstenaars is een van de gelijkenissen die kan getrokken worden met de Documenta in Kassel.

Naast de door de organisatie uitgenodigde kunstenaars zijn er ook 86 landenpaviljoenen met evenveel curatoren als kunstenaars. Ook hier is er verbaasde verwondering want het aantal paviljoenen en locaties groeit met de jaren. Ook landen of staten zoals Cambodja, Libanon, Albanië, Ivoorkust, Andorra, Balearen, Azerbaijan, Kosovo, Luxemburg en Mongolië  stuurden afvaardigingen. Toen Harald Szeemann (1933-2005) in 1969 zijn vermaarde ‘When attidus become form’ tentoonstelling organiseerde in de Kunsthalle van Bern, wat toen werd beschouwd als een overzicht van de wereldwijde actuele kunstszene, kwamen enkel kunstenaars uit een beperkt aantal Centraal Europese landen en de Verenigde Staten aan bod. Een aantal van de oudere kunstenaars die nu in Venetië én op de Documenta in Kassel aanwezig zijn hadden hun plaats kunnen hebben in de Szeemans tentoonstelling maar zijn, wellicht bij gebrek aan informatie over hun bestaan en werking, niet geselecteerd geraakt. Het gebrek aan deze gegevens verplichtte Szeemann te putten uit de kunstenaars van het hem toen bekende galeriecircuit. De technische middelen van vandaag zijn van een andere orde en dus is het potentieel aan beschikbare kunstenaars niet alleen gegroeid maar ook beter op te sporen. Musea, maar ook galeries uit de Europese hoofdsteden, spelen er gretig op in en programmeren kunstenaars uit landen die voorheen niet werden genoemd als zijnde voortbrengers van hedendaagse kunst. Het selectie criterium is bovendien niet langer de Europese moderne kunstgeschiedenis of het Amerikaans postmodernisme maar een mondiale erkenning dat deze geschiedenissen hun beste tijd hebben gehad als baken voor hedendaagse kunst. Wij spreken vandaag dan ook heel terecht over de ‘visueel kunstenaar’, een evolutie die ook in de komende jaren haar stempel zal drukken.

Net als op de Documenta lijkt de indruk te ontstaan dat er niet echt een rode draad loopt door het project dat curator Christine Macel heeft ontwikkeld. ‘Viva Arte Viva’ is dan ook een eensluidende titel waar wij vrolijk van zouden moeten worden. Het resultaat is immers een tentoonstelling die de bezoekers loslaat en geen keuzes opdringt. Om er het beste uit te halen moet je minstens 5 dagen de zolen van onder je schoenen lopen.

De Belgen

De Belgische aanwezigheid op de expo is beperkt. Dirk Braeckmans (1958) groot formaat foto’s  (180 x 120 cm) zorgen ervoor dat het paviljoen tot het beste behoord van wat in de landenpaviljoenen te zien is. Hij bezit een technische vaardigheid die pure fotografie overtreft en schilderkunst als prioritair bruikbaar materiaal in vraag durft te stellen. De beelden ontwaken in een fotostudio maar eens daar weg leiden ze een eigen leven. Net zoals in de analytische schilderkunst moeten wij onze ogen aanscherpen om de nauwkeurigheid van de beelden te onderzoeken. Ik weet niet of Braeckman met zijn imposante grijs-grijs beelden meer beoogt dan het creëren van pure stilistische schoonheid. Schokkende informatie geven ze niet prijs.

Venetië8.jpgOp uitnodiging van de Biennale maakte Edith Dekyndt (1960) een tapijt van stof (‘One Thousand and One Nights’) dat ze bij elkaar heeft gevaagd in het Arsenale, een van de twee vaste Biennale locaties. Ze legde er een rechthoek mee aan in een pik zwarte ruimte die van het zaallicht wordt afgescheiden door een eveneens door haar ontworpen metershoog en breed golvend gordijn (‘Slow Object 008’). Op het stof zijn spots gericht waardoor een witte grijze vlek oplicht in de donkerte. Het stof, dat met grote gevoelswaarde reageert op de toenadering door de bezoekers en de luchtverplaatsingen die ze teweegbrengen, wordt om het uur door een opzichter samen geveegd in de oorspronkelijke rechthoekige vorm. Deze rituele handeling maakt van het werk een permanent levende sculptuur.

Onvermijdelijk botst men in Venetië op Jan Fabre (1958). Hij heeft een solotentoonstelling in de L’Abbazia di San Gregorio een abdijlocatie in de wijk Dorsoduro die rust uitstraalt te midden de drukke toeristische verkeersader. Fabre toont er een reeks sculpturen (‘Glass and bone sculptures 1977-2017’) waarvan de meesten zijn uitgevoerd in de glasblazerijen van

Venetie2018-01.jpgMurano, een van de eilanden van de Venetiaanse lagune. Het is de Fabre zoals we hem kennen met skeletten van vogels die worden vastgehouden in het gebit van ontvleesde mensenschedels (foto) maar ook met ranke figuratieve afbeeldingen van gekostumeerde figuren. Jan Fabre treedt zo stilaan in de voetsporen van Picasso die ook een zeer omvangrijk oeuvre bij elkaar bracht met massaal veel exposities tot gevolg. Fabre kan je op dit eigenste ogenblik in Hingene, Kiev, Venetië en Gaasbeek gaan bekijken.

Niet ver van L’Abbazia di San Gregorio is de 20 meter hoge sculptuur ‘Golden Tower’ van James Lee Byars (1932-1997) opgetrokken. De kunstenaar creëerde het werk in 1990 maar het is pas nu tot uitvoering gekomen met de steun van de galerie Michael Werner. Het staat er langs de Canal Grande in goud te blinken tussen de even hoge als oude pallazo’s.  In de Espace Louis Vuitton wordt de magistrale film ‘A Journey that wasn’t’ van Pierre Huyghe (1962) getoond. Een film waarin het geheugen, fictie en verhaallijnen door elkaar worden gehaald en uitmonden in een uitstekend vormgegeven surrealistisch beeldverhaal. Het denkbeeldig verhaal speelt zich af op een eiland niet ver van Antarctica waar Albino Pinguïns zouden leven tussen afstervende ijsbergen. De toeschouwer wordt geconfronteerd met een toekomstbeeld dat als een verschrikking voor de mensheid opdaagt.

De Poolse kunstenaar Ryszard Winiarski (1936-2006) is een van de vele kunstenaars die zich bij leven achter het ijzeren gordijn verscholen moest houden. Zijn conceptueel werk kwam maar met mondjesmaat en vaak via alternatieve kanalen en een gunstige wind in het westen terecht. Zijn geometrisch conceptueel werk is samengesteld uit modules op basis van verzamelde statistische gegevens. Zijn opleiding in de bouwkunde gevolgd door zijn studie aan de Academie voor Schone Kunsten in Warschau weerspiegelen zich in deze vormgeving die zowel didactisch als plastisch is. In een deel van zijn oeuvre vraagt hij aan de bezoekers om de ultieme vorm mee te bepalen. Winiarski gaat er immers van uit dat binnen het kader van het door hem gecreëerde kunstwerk een nieuwe ruimte ontstaat die manipuleerbaar moet zijn. Je speelt met woorden of met kleuren maar Winiarski bepaald altijd de inhoudelijke spelregels. In een aantal mogelijkheden kunnen de kijkers met de elementen schakelen om tot een nieuwe samenstelling te komen. Ze zijn best vergelijkbaar met een puzzel waarvan de onderdelen dezelfde vierkante vormen aannemen en verschoven kunnen worden tot een voor de speler ideale combinatie. In een spelpuzzel zijn ze vooraf bepaald, bij Winiarski moet je creatief zijn. De tentoonstelling in het Palazzo Bollani is een openbaring.

Venetië5.jpg

Taiwan heeft als gevolg van politieke instabiliteit geen officieel nationaal paviljoen. Toch heeft het een kunstenaar kunnen afvaardigen met een uitzonderlijk verhaal en dynamiek. Tehching Hsieh (1950) vertrok uit zijn land als verstekeling aan bood van een schip naar de Verenigde Staten. Hij leefde er in miserabele omstandigheden toen hij besloot om zijn leven verder te zetten als performance kunstenaar. Veel had hij niet nodig. Zijn eerste performance in 1973 was een sprong van de tweede verdieping van zijn woning naar de begane grond. Ze werd geregistreerd met een super 8 film en een reeks foto’s. Hij brak beide enkels. Rond dezelfde periode voerde ook de Nederlandse kunstenaar Bas Jan Ader (1942-1975) een aantal ‘Fall’ performances uit door zich van een dak te laten rollen of met zijn fiets vanaf de kade in de Amsterdamse grachten te jumpen. Hsieh ging door met zijn extreme performances. Tussen begin 1980 en einde 1982 voerde hij 2 ‘One Year’ performances uit. Hij installeerde in zijn studio een prikklok die gebruikt wordt in bedrijven. Een jaar lang stak hij om het uur zijn prikkaart in de klok en registreerde zijn performance met een filmshoot. Hsieh wou aan den lijve ondervinden wat het verschil is om een vrij leven te leiden enerzijds en onderhevig te zijn aan sociale controle anderzijds. Voor zijn volgende performance besloot hij 1 jaar lang op straat te gaan leven in New York. Zijn bagage was beperkt tot een slaapzak, primaire kledij en benodigdheden waarmee hij zijn leven in de straten van New York registreerde. Tijdens zijn verblijf in de straten van New York sprak hij met niemand. De tentoonstelling ‘Doing Time’ (foto) reconstrueert zijn performances op een imponerende wijze. Tot 26 november.

Roger D’Hondt

Fotos : New Reform 

www.labiennale.org

De commentaren zijn gesloten.