MARCEL BROODTHAERS IS TERUG IN DÜSSELDORF

RETROSPECTIEVE IN KUNTSAMMLUNG NORDRHEIN-WESTFALEN (K21)

Dusseldorf 017.JPGHet is niet vanzelfsprekend dat 2 wereldwijd gerenommeerde kunstinstellingen, het Museum of Modern Art in New York (MOMA) en het Museo Reina Sofia in Madrid, inzetten op een retrospectieve  over een Belgisch kunstenaar. 4 jaar lang hebben de curatoren Christophe Cherix  MOMA  en Manuel J. Borka-Vittel Reina Sofia gewerkt aan de voorbereiding van de retrospectieve over de in Sint-Gilles (Brussel) geboren kunstenaar Marcel Broodthaers (°1924 Ϯ 1976). De tentoonstelling met 200 werken ging de lente van vorig jaar van start in het MOMA en na een passage in het Reina Sofia is ze nu eindelijk aangekomen in de Kunstsammlung  Nordrhein-Westfalen (K21) te Düsseldorf, stad waar de kunstenaar van 1969 tot 1972 woonde en vanwaar hij vervolgens verhuisde naar Keulen waar hij op 52 jarige leeftijd is overleden. De retrospectieve wordt vervolledigd door een schitterend boek waarin bekende curators en schrijvers op zoek gaan naar de gedrevenheid waarmee het oeuvre van de kunstenaar is tot stand gekomen.

Het Ruhrgebied was in die tijd de metropool voor de nieuwe tendenzen in de hedendaagse kunst. Tijdens de persvoorstelling vertelde de echtgenote van Broodthaers, Maria Gilissen, dat haar man er in de mainstream is gekomen door toedoen van de jonge Keulse galerist Michael Werner. De galerie, die voornamelijk was afgestemd op schilderkunst, was op zoek naar innovatieve kunstenaars. De Amerikaanse conceptueel kunstenaar James Lee Byars, die bevriend was met Broodthaers, introduceerde hem in de galerie. Op een ochtend belde Michael Werner ten huize Broodthaers aan en nodigde hem uit om in zijn Keulse galerie te exposeren, waar hij in 1970 de solo tentoonstelling ‘Exposition littéraire et musicale autour du Mallarmé’ realiseerde. Rond hetzelfde tijdstip nam Jurgen Harten, toenmalig curator en latere directeur van de Kunsthalle in Düsseldorf, hem op in zijn referentie tentoonstelling “Between 4” waar Broodthaers onder andere zijn film “een seconde wijsheid” toonde, een film van 1 seconde en 24 beelden. De verklaring van Maria Gilissen klinkt opmerkelijk omdat in Broodthaers CV ook al melding wordt gemaakt van een tentoonstelling bij de Keulse galerie Zwirner in 1968 en bij de galerie Benjamin Katz in 1969, de voormalige vennoot van Michael Werner in Berlijn waar zijn galerie is ontstaan. Misschien waren de eerdere tentoonstellingen er gekomen door toedoen van Anny De Decker (Wide White Space) waar de kunstenaar sinds 1967 meerder malen tentoonstelde? Het duidt er anderzijds op, en misschien wou Gilissen dat in de verf zetten, dat Broodthaers als kunstenaar vrij en zelfstandig handelde, zich niet wilde binden en zijn werk afzonderde van het commerciële circuit dat zich nestelde in deze tendensrijke periode. Zijn deelname in 1967 aan de in België rondreizende ‘Interuniversitaire tentoonstelling’ en de publieke acties van de tijdelijke kunstenaarsbeweging ‘Reportage’, die onder de bezieling van kunstenaar Roland Van den Berghe opkwamen voor de “vrijheid van handelen” in de kunstwereld, is meer dan een statement geweest voor Broodthaers. Het anti-etablissement karakter keert terug als Broodthaers later zijn museumconcepten ontwikkelt. Tijdens de persvoorstelling wees curator Doris Krystof van K21 er op dat Broodthaers altijd goed heeft nagedacht over zijn loopbaan als beeldend kunstenaar.

Dusseldorf 013.JPG

Dat Broodthaers tijdens “Between 4” onder andere een film van 1 seconde laat projecteren is niet verwonderlijk. Sinds 1958 nam hij deel aan EXPRMNTL, het experimenteel filmfestival in Knokke dat werd georganiseerd door de directeur van het filmmuseum in het Paleis voor Schone Kunsten (PvsK, nu Bozar) Jacques Ledoux (°1921 - Ϯ 1988). Broodthaers had veel affectie met de activiteiten in het PvsK waarover hij geregeld schreef in de Brusselse pers. Filmisch materiaal (foto, dia en film) maakt een omvangrijk deel uit van zijn werkzaamheid en de methodiek die noodzakelijk is om zijn ideeën te illustreren. Ze hebben hun stempel gedrukt in zijn oeuvre. In de Konrad Fischer Galerie (Platanestrasse 7, Düsseldorf), waar vorige week ook een expo met werken van Broodthaers is geopend, zijn verschillende dia projecties te zien die de kunstenaar in de jaren 1973-74 realiseerde. Meestal gaat het om reeksen van 80 slides die vanaf een kodak carrousel op de muur worden geprojecteerd. In de ‘ABC Images’ reeks worden 2 projecties simultaan naast elkaar vertoond. De ene reeks geeft een figuur weer, het andere een letter uit het alfabet. Taal is een constante in zijn oeuvre. In K21 is een 16 mm film te zien met beelden van de solo tentoonstelling ‘Marcel Broodt(h)aers‘Court Circuit’ die de kunstenaar in het PvsK realiseerde (1967) met een vrij omvangrijk oeuvre van 60 werken. De beelden zijn echter bewust opgenomen in de laatste dagen van de expo. Voor de opnames, door een bevriende cineast, beplakte hij de muren en vloer van het PvsK met krantenpapier. Zijn werken kwamen dus in een totaal ander decor terecht waardoor de context wijzigde en een nieuw ‘totaal’ kunstwerk kon ontstaan. De film kreeg de titel ‘Objet’  en maakte als ‘kunstwerk’ deel uit van zijn volgende tentoonstelling ‘Le Corbeau et le Renard’. Wou hij met deze daad een streep trekken onder een periode waarin de invloeden van popart en nouveau realisme  aanwezig zijn? Toen hij in 1974 in het PvsK ‘Jardin d’hiver’ realiseerde decoreerde hij een van de zalen met mensgrote palmplanten bedoeld voor huiskamergebruik waardoor de bezoeker zich in een Jardin Botanique waande, een winterse tuin met tropische planten. Contrasterender kan het niet zijn. Op een kast stond een TV scherm dat via een op de zaal gerichte camera de aanwezigen live registreerde. Daardoor maakte men als bezoeker deel uit van het kunstwerk. Het is een omstandigheid die ook terugkeert als men later zijn museumprojecten gaat betreden. Men kan hierin de bevestiging vinden dat Broodthaers liefde voor bewegend beeld (film) en menselijke aanwezigheid binnen de context van zijn oeuvre (video monitor) belangrijk vindt. Spijtig genoeg komt dezelfde gevoeligheid niet tot uiting in de variante op de installatie van ‘Jardin d’hiver’ die men in K21 heeft neergezet.

Dusseldorf 019.JPG

In 1964 ontstaat ‘Pensé-Béte’, een iconisch werk waarin hij schijnbaar het pad van de dichtkunst verlaat door met een overschot van zijn onverkochte gelijknamige dichtbundels en plaaster een object te maken. In dit opzicht een belangrijk werkstuk maar niet bepalend voor het verder ontwikkelen van zijn activiteiten als beeldend kunstenaar. In werkelijkheid maakt hij met ‘Pensé-Béte’ de omschakeling van de geschreven poëzie naar de poëzie van de beeldende kunst. Sommige van zijn dia reeksen die later tot stand komen staan zeer dicht bij de visuele poëzie (poesia visiva) en de conceptuele kunst. Maar ook bijvoorbeeld ‘L’Objet écrit(la bouteille de lait)’ een fotografische compositie van 6 flessen op doek en ‘Carbon’, een zevendelig ensemble van fotografie op doek en een object van steenkolen op een schop, beiden uit 1967, ademen visuele poezie. Er zijn meerdere voorbeelden. Dat Broodthaers in die periode ook de invloeden ondergaat van de pop-art, het nouveau realisme en het surrealisme van René Magritte is voelbaar in de retrospectieve maar bepalen uiteindelijk niet de weg die Broodthaers zal inslaan, het parcours van het ‘imaginair’ (?) museum.

Hij is duidelijk gefascineerd door de grote en kleine geschiedenissen die zich her en der hebben voltrokken. In zijn oeuvre duiken werken op die verwijzen naar het Dusseldorf 010.JPGkoloniaal verleden van Belgisch Kongo, de koolmijnen of naar heroïsche slag om Waterloo door France en geallieerde troepen.

Sommige relicten zijn terug te vinden in specifieke musea andere blijven onbekend. Zelfs de palmplanten vindt men terug in specifieke musea zoals de plantentuin in Meise of het museum voor Midden-Afrika in Tervuren. Tijdens de bezetting van het Pvsk in 1968, door kunstenaars die het geprivilegieerd cultuurbeleid en de censuur van de overheid op de korrel nemen, doet Broodthaers de ervaring op dat ook kunstenaars hun eigen lot beter zelf in handen nemen. Daar ontkiemt de idee van ‘Le Musée d’Art Moderne’. Het ontstaat thuis in zijn atelier. De bezoekers nemen plaats op houten transportkisten en aan de muren hangen postkaarten met afbeeldingen van kunstwerken die in de reguliere musea te koop worden aangeboden. Een vorm van relativering voor het bourgeois karakter dat musea uitstralen? In het ‘Musée d’Art Moderne’, waarvan hij de directeur, de curator en de kunstenaar tegelijk is, ontstaan onmiddellijk 2 afdelingen: de ‘Section XIXième siècle’ en ‘Département  des Aigles’. Niets wordt aan het toeval overgelaten en Broodthaers onderzoekt in latere fases de werking en functie van musea. Er ontstaan in totaal 12 afdelingen waaronder: de section documentaire, -littéraire, -folklorique, -cinéma, -figures….Daaruit blijkt dat zijn visie verdere reikt dan het kunstwerk ‘an sich’. Broodthaers wil met zijn project niet enkel het gebrek aan musea aanklagen maar ook de elitaire positie van de bestaande musea tegenover de maatschappij.  Hij wil duidelijk een grensverleggend concept invoeren waardoor hedendaagse kunst kan functioneren zonder dat het als een toeristische attractie wordt uitbesteed door de musea. Een museum waarin kunst kunst blijft. In 1972 sluit hij de cyclus af met de tentoonstelling ‘Section d’Art Moderne’ en ‘Musée d’Art Ancien’ in De Neue Galerie te Kassel, waarna hij zich opnieuw tot kunstenaar verklaart. Dit laatste geeft een nieuwe wending aan zijn oeuvre omdat men er is van uitgegaan dat het project voor een ‘Musée d’Art Moderne’ een kunstwerk op zichzelf is met de signatuur van Marcel Broodthaers. Zijn statement in Kassel zaait twijfels. Of wou hij met zijn statement aangeven finaal zelf als kunstenaar niet de gevangene te willen zijn van zijn eigen concept? De cyclus is het absolute hoogtepunt uit zijn oeuvre. Het laatste woord is er nog niet over gezegd en geschreven en dat verklaart waarom Broodthaers zo actueel en belangrijk is. In K21 is de ‘Sectie Publicité’ uit de collectie van de Kunstsammlung Nordrhein-Wastfalen opnieuw opgebouwd. Het zou de nog enige intacte sectie zijn uit de reeks .

Dusseldorf 007.JPG

Zijn werk is bijzonder complex en daardoor ook niet zomaar onder te brengen in een van de vele stromingen eigen aan de hedendaagse kunst. Er zijn een aantal lijnen die zijn oeuvre doorkruisen. Broodthaers stapte af van de klassieke dichtbundel maar bleef visueel verbonden met zijn verleden als dichter door het poëtische en literair karakter dat zich weerspiegelt in zijn oeuvre. Woorden en zinnen verbeelden vaak het onzichtbare niet aanwezige kunstwerk. Zijn Belgische afkomst is karakteristiek en geestelijk terug te vinden in zijn oeuvre. Het veroorzaakt geen breekpunten maar berust op een voortzetting van de kunstgeschiedenis met de invloed van René Magritte als bijzonder tastbaar element. Er is overigens geen enkel reden om dit te ontkennen omdat Broodthaers net als Magritte elementen aanbrengt die aanleiding geven tot een verdere verdieping van kunst als maatschappelijk fenomeen. Tot 11 juni.

 

Roger D’Hondt

Foto's: WelKunst

www.kunstsammlung.de

De commentaren zijn gesloten.