Boek en tentoonstelling

27035-Web_IMG_4845.jpgLuc Deleu: ‘Orban Space’, de nooit te voltooien toekomst?

Bij de uitgeverij Valiz, boek- en culturele projecten in Amsterdam, is een boek gepubliceerd dat het volledige oeuvre van de kunstenaar en architect Luc Deleu (Duffel BE °1944) in beeld brengt. Een schitterend boek dat gelezen kan worden als een naslagwerk. Maar het boek brengt ook de bevestiging dat Luc Deleu een onderschatte kunstenaar is.

 

 

LucDeleu_book.jpg

 

 

 

 

 

 

Zijn gigantisch oeuvre is sinds 1967 alsmaar sterker geworden en het is trouw is gebleven aan de basisprincipes van de kunstenaar en de architect die hij is. Zijn uitgangspunten zijn het installeren van een averechtse architectuur-cultuur om de ruimtelijke ordening te herschikken en de levenskansen op deze wereldbol te optimaliseren. De voorstellen van Deleu dagen uit en roepen verbeeldingskracht op bij mensen die zich nooit met deze problematiek inlaten of die, zoals de meesten, overrompeld worden door commerciële marketing waarin de wereld in alle grootschaligheid wordt voorgesteld. Precies op dat ogenblik ondergaat de architect Deleu een metamorfose en wordt hij de visionaire kunstenaar die zijn ideeën in beelden omzet. Toch blijft bij velen nog altijd een vraagteken open staan: “is Deleu een kunstenaar of een architect?” Wie is hij?  In het boek wijst Teresa Stoppani op de ingewikkelde praktijk van Deleu: “Since Deleu doesn’t consider architecture strictly as an act of designing and building but rather as a crucial social en political environmental intervention, his work is not strictly coincides with architectural objects, built or unbuilt”. Dit is misschien wel het dilemma dat ervoor heeft gezorgd dat zijn erkenning als kunstenaar, gedragen door een brede publieke belangstelling, zich met enige vertraging heeft voltrokken. Het traject dat Deleu heeft afgelegd, langs galerijen, kunstcentra, musea, biënnales en in openbare domeinen, is echter al even indrukwekkend als dat van zijn tijdgenoten die zich op de meer toegankelijke terreinen als beeldend kunstenaar hebben gemanifesteerd. Het boek lost het misverstand dat er rond zijn oeuvre als kunstenaar kon bestaan op met een gedetailleerde beschrijving van zijn loopbaan en een aantal opmerkelijke essays die de inhoud van dit traject duiden en plaatsen in een tijdloos en internationaal perspectief.

Basis

Snel na zijn afstuderen als architect en stedenbouwkundige richt Deleu  ‘T.O.P office’ (Turn on Planning) op. Met een tentoonstelling in de galerie Vacuum (1970), die hij samen met Filip Francis  opricht, neemt hij met een ‘statement’ afscheid van het klassieke architectenbestaan dat is gevestigd op bouwen en volbouwen. Zijn vaarwel aan de architectuur wordt hem kwalijk genomen door het establishment in de besloten wereld van de architecten. Om zijn averechtse positie als architect in de verf te zetten signeert hij in het begin van zijn loopbaan de door zijn klanten zelf getekende plannen, een daad die hem in conflict brengt met de gevestigde Orde van Architecten. Hij drijft de ironie ten top met een aantal denkbeelden zoals de recyclage van het in Antwerpen onaantastbaar gewaand Rubenshuis tot sociaal woonpand en talrijke andere tot de verbeelding sprekende ingrepen voor een nieuwe ruimtelijke ordening, voorstellen die in 1979 uitmonden in het leggen van ‘de laatste steen van België’, een commentaar op de bouwwoede van de Belgen. In 1972 neemt hij deel aan een architectuurwedstrijd voor de Universitaire Instelling Antwerpen en stelt een plan op voor een mobiele campus. Een jaar later komt Deleu op de proppen met ‘Packet Antwerp’ een projectvoorstel voor de ‘Biënnale des Jeunes Artistes’ in Parijs. De bedoeling is om de (progressieve) Antwerpse cultuurwereld in 5 ‘zeecontainers’ te verschepen naar Parijs.  

Hij ontwikkelt het idee samen met Jan Putteneers die het voorstel publiceert in Antwerp Art Info van maart 1973. De verscheping is nooit gerealiseerd maar het idee stond er als een huis. De turbulente  maar creatieve Antwerpse periode met de Vrije Actiegroep Antwerpen (Vaga)  laat zonder twijfel ook sporen na in het proces dat tot het voorstel leidt. Een visionair voorstel dat later opvolging zal krijgen in het modeproject van de ‘Antwerpse Zes’ die in 1980 door en soortgelijke samenwerking de Parijse en Londense modewereld veroveren.

 “Architecten en stedebouwkundigen zien enkel immobiele architectuur”, zegt Deleu in hetzelfde jaar, en zo ontwikkelt hij de idee voor een ‘Mobiel Medium Architectuur ‘ een woongelegenheid in een omgebouwde bestelwagen. De invloed van Deleu op de Antwerpse kunstscene is voelbaar in verschillende projecten. Zo bouwen de leden van het collectief Artworker Star een occasie autobus om tot een mobiele cinema die een deel van Vlaanderen zal doorkruisen en het buitenland zal bereiken. De contacten die Deleu met de Antwerpse kunstwereld onderhoud geven hem zelf zonder twijfel de nodige impulsen om zijn visies op de nieuwe maatschappij, die hij voor ogen heeft, te ontwikkelen en te verspreiden in een artistiek milieu. Datzelfde milieu bezorgd hem anderzijds de mogelijkheid om zijn denkprocessen in visuele beelden om te zetten. De publicaties in Artworker Star zijn daar een sprekend voorbeeld van. Veel elementen uit zijn later oeuvre zijn ontstaan in deze periode wat zijn principiële vastheid aantoont.

Manifesten

In 1980 publiceert hij zijn ‘orbanistisch manifest’. Het is een wereldwijd project waarin hij pleit om de stedelijke agglomeraties niet meer uit te breiden omdat de ‘vrije ruimte’ nodig is om de voedselproductie in stand te houden. Een derde van de wereldbevolking is ondervoed zegt Deleu en om te voldoen aan de reële behoeften van voedselproductie moet de vrije ruimte gevrijwaard worden. Om het evenwicht te bewaren moet dus ook de ruimtelijke ordening in de steden aangepakt worden en het overbodige zoveel mogelijk afgestoten worden. Hij stelt voor om het ‘overbodige’ met een raket de ruimte in te sturen en de Belgische bevolking op 5.000 passagiersschepen te laten  wonen. Hier treedt de kunstenaar naar voor die vanuit de bestaande werkelijkheid en wetenschappelijke perspectieven visionaire voorstellen doet om de levensvoorwaarden te herzien. Deleu roept zichzelf uit tot Orbanist, het averechtse begrip van urbanist. Hij beschouwd de wereld als een ruimteschip dat nood heeft aan een orbanisatie op mensenmaat. Zijn werk sluit aan bij de ecologische tendensen die vanaf de jaren 80 doordringen en een begrip worden in de politieke wereld, al zijn de voorstellen die hij formuleert soms doordacht futurisme en botsen zijn denkbeelden met de behoudsgezinde politieke overheden. Zijn project om rond het Belgische paviljoen op de Biënnale van Venetië een stelling te plaatsen, het in de steigers te zetten, wordt door de toenmalige minister van cultuur Poma geweigerd.

04_luc_deleu3.jpgFeleuGent.jpg

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Om zijn ideeën voor de mensen zichtbaar en toegankelijker te maken begint hij te werken met projecten die de limieten van de traditionele kunstvoorstelling overschrijden. Zo legt hij op het Sint-Pietersplein in Gent (1986) 2 hoogspanningmasten neer waardoor er een ongekende monumentaliteit ontstaat die niet voelbaar is als de masten rechtop staan. Hetzelfde gebeurt met de triomfbogen en obelisken die hij op vele plaatsen in de wereld construeert met vrachtcontainers. In 1984 plaatst hij in de ruimte Montevideo te Antwerpen een aantal van die containers willekeurig op en naast elkaar. Hij gaat hier blijkbaar speels om met containers die eerder een log gewicht vertegenwoordigen en qua schaalgrote het gebouw domineren. Een vaststelling is dat Deleu voor deze projecten gebruik maakt van bestaande functionele componenten uit de industriële wereld  – containers, masten - die hij voor artistiek hergebruik recycleert tot  “ready made’s”, een ingreep die ook door de dadaïsten is toegepast.  De wisselwerking tussen de kunstenaar Deleu en de architect Deleu komt hier sterk uit de verf.

Maar Deleu blijft ook als architect voorstellen doen. Zo ontwerpt hij een luchtlijn (1989) voor de passage van de TGV in Brussel en een zwaaibrug over de Schelde waar schepen kunnen aanleggen. Beide projecten worden gekenmerkt door grootschaligheid en een futuristische kijk op het functioneren van architectuur. Dit is voldoende voor de officiële overheden om zijn voorstellen a priori af te wijzen. 

Onaangepaste stad

Sinds 1995 werkt T.O.P. Office aan een alternatieve invulling van de stedebouwkundige ruimte: De Onaangepaste Stad. Het is een kritische analyse van de urbanistische gebreken die de bouwwoede oplevert, temeer omdat de bouwheren grootgrondbezitters zijn en ze zich van uit deze machtspositie niet bekommeren om de wereld als erfgoed en woonplaats van vele generaties. De analyse van Deleu  vertrekt van een maatschappijvisie op wereldvlak en dat geeft aanleiding tot een ordening die niet louter door beton wordt opgehoopt. De openbare en privé voorzieningen worden aangepast aan de behoeften van de mens en niet andersom. De Orban Space, meteen ook de titel van het boek, tekent zich af op wereldschaal. Het ziet er uit als een eindloze opdracht, de nooit te voltooien toekomst. Om de onmetelijkheid te vatten onderneemt Deleu wereldreizen met een zeilschip. De architect verlaat hier de architectuur en wordt opnieuw kunstenaar.

Na zijn thuiskomen, wachten hem een 432 pagina’s dik boek en 2 tentoonstellingen: tot 24 maart in Stroom Den Haag (www.stroom.nl) en in het najaar in Extra City te Antwerpen.  Het boek kost  € 27,50  en kan aangekocht worden in de betere boekhandel of bij www.valiz.nl .

 

Roger D’Hondt

De commentaren zijn gesloten.