• EUROPESE COMMISSIE: WERKEN VAN DAN FLAVIN EN BILL VIOLLA GEEN KUNST

    Kunst is politiek – politiek is geen kunst

    Discussies voeren over “wat is kunst” kan men als een dagelijkse opdracht beschouwen voor wie de hedendaagse kunst ondersteunt, maar het is zeldzaam dat een “esthetisch oordeel” daadwerkelijk een recht verwerft met de kracht van een wet. Dat is precies wat er is gebeurd als de Europese Commissie oordeelt dat de installaties van de kunstenaars Dan Flavin (°1933) en Bill Viola (°1951) niet als kunst kunnen worden beschouwd. Het gevolg is dat in de plaats van de 5 procent BTW  die op kunstwerken wordt geheven in de toekomst deze “hedendaagse kunstwerken” worden belast tegen een BTW tarief dat kan oplopen tot 20 procent. De discussie gaat deze keer over het recht van een politieke instantie om te oordelen over “wat kunst is”. Het gaat niet over de verhoging van de BTW op het verhandelen van kunstwerken.

    De kwestie is ontstaan toen ‘Haunch of Venison’, een Britse kunsthandel, kunstwerken wou invoeren van bovengenoemde kunstenaars. Het werk van videokunstenaar Bill Viola bestaat uit 6 video installaties  die gedemonteerd naar Groot-Brittannië  werden gebracht in 2006 en een lichtsculptuur van Dan  Flavin.

     DanFlavin.jpg

    De Britse douane weigerde de 5 procent BTW op de kunstwerken toe te passen omdat ze de werken niet als kunst beschouwden. De kunsthandel ging daartegen in beroep bij de Britse VAT and Duties Tribunal en die gaven hen in 2008 gelijk. Maar de Europese Commissie heeft dat besluit nu teruggedraaid en is de Britse douane bijgetreden. Een besluit dat meteen ook geldig is voor alle Europese lidstaten.

    In haar besluit, beschrijft de Europese Commissie het werk van Flavin als een voorwerp "dat de kenmerken vertoont van verlichtingsarmaturen”. Daarom wordt het in economische sector van de wandlampen ondergebracht. In een bespreking over het werk van Viola zegt de commissie dat de 'video-sound-installatie'  niet als beeldhouwkunst kan worden beschouwd maar: ” het resultaat is van de operaties met lichteffecten die door hem worden uitgevoerd ".

    Het is duidelijk dat de commissie de installaties van Flavin en Viola uitsluitend beschouwd als technische onderdelen en de artistieke context niet heeft opgemerkt of willen zien, alhoewel werken van beide kunstenaars vertegenwoordigd zijn in Europese topmusea. De houding van de commissie is het resultaat van pure bureaucratie eigen aan de Europese regelgeving. Advocaat Pierre Valentin , die Haunch of Venison vertegenwoordigd maar niet is betrokken in het onderhavige geval, noemt de redenering in The Art Newspaper "absurd". "Suggereren dat een werk van Dan Flavin  pas een kunstwerk is als het licht is ingeschakeld, is komisch", zei hij. Hij verwijst ook naar eerdere beschikkingen in Groot-Brittannië en Nederland die aantonen dat deze uitspraak in strijd is met eerdere uitspraken van het Europese Hof van Justitie.

    Het is niet de eerste keer dat een land in verlegenheid gebracht wordt door een ongenuanceerde waardering van kunst bij het douanekantoor. Toen in 1926 Constantin Brancusi 's "Bird in Space" - een abstract bronzen beeldje – naar de Verenigde Staten werd verscheept werd het door de Amerikaanse douane niet als een kunstwerk beschouwd, maar viel het onder de classificatie " keukengerei en ziekenhuis supplies " waardoor het ook werd onderworpen aan een hoger tarief. De fotograaf en kunsthandelaar Edward Steichen , de eigenaar van het werk, bracht de zaak naar de rechtbank.

    Het conflict eindigde in november 1928, toen een rechter oordeelde dat "hoewel sommigen moeilijkheden ondervinden door dit werkje [sculptuur] in verband te brengen met een vogel, is het toch prettig om naar te kijken en zeer decoratief. Wij steunen het protest en vinden dat het recht heeft op gratis toegang ". De advocaatkosten voor Steichen werden betaald door de legendarische Peggy Guggenheim

     

    Roger D’Hondt


  • Censuur in de kunstwereld.

    Zoals wel vaker gebeurt bij grote kunstbiënnales, muziek- en filmfestivals, wordt naast het officiële programma ook een alternatief aangeboden. Het kunstenaarscollectief vzw De Slang uit Brugge gaf in 2002 aan kunstenaar Jan Verhaeghe de opdracht een project uit te werken rond hedendaagse kunst in het kader van ‘Brugge culturele hoofdstad van Europa’. Hij trad niet in het spoor van de traditie en bedacht het project ‘Operatie Terra Radicalis’.
    21 kunstwerken, geplaatst op het Brugse openbare domein hadden volgens hem hun tijd wel gehad. Hij omgordde ze met een plastic signalisatielint met daarop het woord ‘kijkverbod’. Voor de selectie van de 21 beelden deed hij beroep op de expertise van 2 eminente Brugse kunstcritici: Fernand Bonneure, op dat ogenblik ook voorzitter van de Brugse Culturele Raad en Jaak Fontier. Ze stelden samen een inventaris op van de na 1945 in de binnenstad opgestelde sculpturen die voor de ‘Operatie Terre Radicalis’ in aanmerking kwamen. Met zijn ingreep wilde Jan Verhaege een aantal vraagtekens plaatsen bij het beleid rond hedendaagse kunst op het openbaar domein te Brugge. Verhaege ondersteunde zijn idee met een simpele visuele ingreep, namelijk het aanbrengen van het lint. Een gewaagde en verregaande redenering die in het ‘kunstenaarsmilieu’ niet door iedereen werd gesmaakt, zo bleek achteraf.
    Jan Verhaeghe beschreef zijn project als ‘een beeldige ‘tabula rasa’ voor de Brugse binnenstad”. Bedoeling was om met het project de aanzet te geven voor de oprichting van een commissie die een grondige evaluatie zou maken van zowel de inhoudelijke artistieke kwaliteiten van de in de openbare ruimte opgestelde beelden als over het oubollige beleid rond kunstwerken in openbare ruimte. Deze evaluatie hield de mogelijkheid in dat een aantal beelden zou verdwijnen ten voordele van open ruimte of van kunsthistorisch waardevoller kunstwerken. Ze had kunnen leiden tot de opkuis van ‘kunstwerken’ - die het eigenlijk niet waard zijn om daar te staan - in het straatbeeld van de ‘culturele hoofdstad’. Althans, dat was het concept dat Verhaege voor ogen had. De signalisatielinten en de bordjes met uitleg werden gedurende zeven dagen, gespreid over drie weekends, aangebracht. De kunstwerken werden er niet door beschadigd en staan nog steeds op dezelfde plaats.
    Het kunstenaarskoppel Livia Canestraro en Stefaan Depuydt, van wie het beeld ‘De jonggehuwden’ met het signalisatielint werd ingepakt, hadden blijkbaar geen zin in een discussie en stapten meteen naar de rechter. Ze voelden zich aangevallen en dagvaardden bij exploot van 12 juni 2002 de stad Brugge, de vzw Brugge 2002 (thans Brugge Plus), de vzw De Slang en kunstenaar Jan Verhaeghe. Ze eisen €100.000 schadevergoeding. De rechtbank van Eerste Aanleg in Brugge oordeelde op 13 oktober 2004 dat deze eis ongegrond was en liet het kunstenaarsechtpaar de gerechtskosten betalen. Het Hof van Beroep in Gent bevestigde dit vonnis op 15 juni 2006. Echter, in april 2010 kreeg het kunstenaarsechtpaar gelijk in cassatie. Na een jarenlange procedureslag velde het Hof van Beroep in Antwerpen een vonnis dat Jan Verhaeghe veroordeelt tot €12.500 euro schadevergoeding, vermeerderd met de gebruikelijke intresten, plus de dagvaardingskosten, samen zo’n €21.500 plus de integrale publicatie van het arrest in het Brugs Handelsblad en Het Nieuwsblad. Dit laatste is reeds gebeurd.2002 - De Jonggehuwden 1 - RV.jpg

     

     

     

     

     

     

     

     

    Volgens het Hof heeft Verhaege een inbreuk gepleegd op het bestemmingsrecht, op de auteursrechten van het kunstenaarsechtpaar, heeft hij hun recht op eerbied en integriteit geschonden, alsmede het tentoonstellingsrecht, het vaderschapsrecht en het bestemmingsrecht. Verhaeghe wordt aangewreven zich het kunstwerk van Canestraro-Depuydt te hebben toegeëigend voor het maken van een ‘nieuw’ kunstwerk van ‘zijn’ hand. Dit is juist maar het heeft geen uitstaans met plagiaat of verbastering van ‘De jonggehuwden’. Integendeel, dit is een volledig nieuw zelfstandig ‘conceptueel’ kunstwerk met bovendien een tijdelijk karakter. Dat de rechter dat niet heeft begrepen is mogelijk. De rechters oordelen immers niet met de kunstgeschiedenis in hun achterhoofd en zeker niet met hedendaagse kunstbegrippen. Uitzonderingen bevestigen de regel, maar in het verleden hebben rechters zich zelden gedragen als hoeders van de creativiteit. De recente geschiedenis[1] leert ons dat kunstenaars uit diverse disciplines op weinig of geen begrip kunnen rekenen als het gaat om de verdediging van hun artistieke vrijheden. Dat het om een ‘tijdelijke’ installatie in het kader van Brugge culturele hoofdstad 2002 ging, speelde volgens de rechter geen rol, wat wij met wat goede wil enigszins kunnen begrijpen.
    Toch is het een zwaar verdict voor een actie die de plaats van de actuele kunst op het openbaar domein in de belangstelling wilde brengen door er een discussie over uit te lokken. De vrijheid van de kunstenaar om een eigen mening te formuleren en deze ten uitvoer te brengen is hier ernstig in de kiem gesmoord. Een nooit geziene vorm van censuur in het kunstenaarsmilieu zelf met een bedenkelijk precedent als gevolg.
    Het vonnis betekent eveneens, maar vooral dat kunst niet meer mag worden bekritiseerd, zo niet wordt het ‘recht op eerbied en integriteit’ geschonden. In het vonnis staat letterlijk dat “de eer, de faam en het imago van de kunstenaars werd aangetast door het optreden van Verhaeghe”. Het vonnis roept bovendien vragen op omdat in het verleden wel meer kunstenaars gebruik hebben gemaakt van voorbeelden van anderen om een nieuw werk te maken. Wat heeft Andy Warhols ‘Marilyn Monroe’ te maken met de ‘Mona Lisa’ van Da Vinci? Dat het iconen waren van hun tijd! Of is het intellectueel plagiaat van Warhol?
    De cassatierechter onderstreepte in zijn vonnis dat de beschuldigden zich niet kunnen beroepen op hun ‘recht op vrije meningsuiting’: “Het staat de geïntimideerden vrij om het even welke kritiek uit te brengen op beeldhouwwerken van de appellanten, voor zover daarbij geen inbreuk wordt gepleegd op de auteursrechten van de appellanten”. Dit onderdeel van het vonnis is op zijn minst een verontrustend precedent.
    Een comité van vrienden steunt Jan Verhaeghe en lanceerde de
    actie ‘Freedom of Speech = Freedom to Offend!’ die op veel begrip kan rekenen in de kunstwereld. Er worden acties gepland die in 2011 moeten uitmonden in een debat. Het debat zal doorgaan op 21 februari in de Zwarte Zaal van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Gent. Meer info via onderstaande link.

     

    Roger D’Hondt

    Info ingewonnen via website, persartikels en correspondentie met de kunstenaar www.censart.be



    [1] Van Provo tot nu, kunst in een sociaal politieke context, Vrijzinnig humanistisch tijdschrift Denderbruggen 10-11-12/2008