• Vormen van Verzet

    Het Van Abbemuseum in Eindhoven voert sinds de komst  van Charles Esche ( Engeland 1962), voormalig directeur van het Rooseum Center for Contemporary Art te Malmö, een nieuwe duidelijke koers met vooral oog voor de recente geschiedenis. Het beleid sluit dicht aan bij de maatschappelijke realiteit waarin kunst zich ontwikkelt. Zo is er nu de tentoonstelling “Vormen van Verzet, kunstenaars en het verlangen naar sociale verandering van 1871 tot heden”. De tentoonstelling behelst vier periodes. Ze begint bij de Parijse commune (1971), gevolgd door de Russische revolutie (1917), de Praagse lente en Mei ’68 én de wereld waarin wij leven na de val van de Berlijnse muur. Maar behalve deze vier gedateerde periodes, die de rode draad vormen, toont de tentoonstelling ook reacties van kunstenaars op de postkolonialistische machtstrijd in Afrika en Latijns Amerika.


    Brigada Ramona Parra

    Brigada Ramona Parra, wandschildering 2007

    Wat zeer opvalt is dat kunstenaars uit de betrokken periodes de gebeurtenissen op verschillende wijzen reflecteren . Vandaag vertoont de kunstenaar meer activisme dan uit de eerste periode van Gustave Courbet en Eduard Manet. Zo lijkt, want uiteraard kunnen de reacties van het publiek toen vandaag moeilijk worden ingeschat. Op de schilderijen is inderdaad de revolutie te zien maar of ze werkelijk een suggestie waren om er aan deel te nemen is moeilijk te zeggen. De conservatieven zullen het wel zo hebben geïnterpreteerd. In het geval van Courbert verwijzen geschriften naar zijn betrokkenheid.Dat kunstenaars als Kazimir Malevich van de Russische revolutie gebruik hebben gemaakt om nieuwe inzichten in beeldvorming vooruit te helpen staat buiten kijf.

    Veel duidelijker treedt de (politieke) kunstenaar op het voorplan in de jaren na Mei ’68. De rol van de kunst ten opzichte van de maatschappelijke gebeurtenissen heeft zich duidelijk verplaatst. Het werk van Hans Haacke of de Artworkers’ Coalition bijvoorbeeld kunnen worden vertaald als ‘politiek-sociale statements’ die aanleiding kunnen geven tot burgerlijk verzet. Of de tijd daarvoor rijp is, is een andere vraag.

    Peter Kennard Crushed Missile
     Peter Kennard, Crushed Missile 1980

    In het museum is een ruimte voorbehouden  voor een kunstproject  van Sture Johannesson  rond de figuur van Ulrike Meinhof, lid van de RAF. Er hangen voornamelijk archiefstukken onder de vorm van posters, foto’s en persartikelen. In 1976 werd deze tentoonstelling verboden in Stockholm en nu is ze in het Van Abbe gereconstrueerd. In 1976 waren de publicaties over Meinhof blijkbaar zodanig omstreden dat het kunstproject waarvan ze deel uitmaakten moest worden gecensureerd. Ondertussen zijn Meinhof de RAF geschiedenis geworden en kan het dus wel. De presentatie toont aan dat het uiten van een ‘vrije mening’, zelfs al maakt ze deel uit van een kunstproject, onderhevig is aan het interpreteren van de wetgeving door de tijdsgeest en de geschiedenis. Een grote zaal is voorbehouden aan een doorlopend project van Marco Scotini. Het project bevat materiaal uit zijn “Archief van Ongehoorzaamheid”. Scotini wil een platform zijn voor nieuwe ontwikkelingen op politiek-maatschappelijk én cultureel-artistiek gebied. De zaal is ingericht als een werkplaats waar documenten en interactieve gegevens over burgerlijke ongehoorzaamheid  kunnen worden geraadpleegd en toegevoegd. Voor Scotini moet dit leiden tot vrijheid en vernieuwing in het kunstenaarsschap. Een mooie afsluiter van een boeiende tentoonstelling die de rol van de kunstenaar in het maatschappelijk patroon belicht en scherp stelt.    Roger D’Hondt Tot 6 januari. Kijk voor meer informatie op www.vanabbemuseum.nl
  • Vormen van Verzet

     

    Het Van Abbemuseum in Eindhoven voert sinds de komst  van Charles Esche ( Engeland 1962), voormalig directeur van het Rooseum Center for Contemporary Art te Malmö, een nieuwe duidelijke koers met vooral oog voor de recente geschiedenis. Het beleid sluit dicht aan bij de maatschappelijke realiteit waarin kunst zich ontwikkelt. Zo is er nu de tentoonstelling “Vormen van Verzet, kunstenaars en het verlangen naar sociale verandering van 1871 tot heden”. De tentoonstelling behelst vier periodes. Ze begint bij de Parijse commune (1971), gevolgd door de Russische revolutie (1917), de Praagse lente en Mei ’68 én de wereld waarin wij leven na de val van de Berlijnse muur. Maar behalve deze vier gedateerde periodes, die de rode draad vormen, toont de tentoonstelling ook reacties van kunstenaars op de postkolonialistische machtstrijd in Afrika en Latijns Amerika.

    Brigada Ramona ParraBrigada Ramona Parra, wandschildering
    Wat zeer opvalt is dat kunstenaars uit de betrokken periodes de gebeurtenissen op verschillende wijzen reflecteren . Vandaag vertoont de kunstenaar meer activisme dan uit de eerste periode van Gustave Courbet en Eduard Manet. Zo lijkt, want uiteraard kunnen de reacties van het publiek toen vandaag moeilijk worden ingeschat. Op de schilderijen is inderdaad de revolutie te zien maar of ze werkelijk een suggestie waren om er aan deel te nemen is moeilijk te zeggen. De conservatieven zullen het wel zo hebben geïnterpreteerd. In het geval van Courbert verwijzen geschriften naar zijn betrokkenheid.Dat kunstenaars als Kazimir Malevich van de Russische revolutie gebruik hebben gemaakt om nieuwe inzichten in beeldvorming vooruit te helpen staat buiten kijf.

    Veel duidelijker treedt de (politieke) kunstenaar op het voorplan in de jaren na Mei ’68. De rol van de kunst ten opzichte van de maatschappelijke gebeurtenissen heeft zich duidelijk verplaatst. Het werk van Hans Haacke of de Artworkers’ Coalition bijvoorbeeld kunnen worden vertaald als ‘politiek-sociale statements’ die aanleiding kunnen geven tot burgerlijk verzet. Of de tijd daarvoor rijp is, is een andere vraag.

    Peter Kennard Crushed MissilePeter Kennard - Crushed Missile, 1980


    In het museum is een ruimte voorbehouden  voor een kunstproject  van Sture Johannesson  rond de figuur van Ulrike Meinhof, lid van de RAF. Er hangen voornamelijk archiefstukken onder de vorm van posters, foto’s en persartikelen. In 1976 werd deze tentoonstelling verboden in Stockholm en nu is ze in het Van Abbe gereconstrueerd. In 1976 waren de publicaties over Meinhof blijkbaar zodanig omstreden dat het kunstproject waarvan ze deel uitmaakten moest worden gecensureerd. Ondertussen zijn Meinhof de RAF geschiedenis geworden en kan het dus wel. De presentatie toont aan dat het uiten van een ‘vrije mening’, zelfs al maakt ze deel uit van een kunstproject, onderhevig is aan het interpreteren van de wetgeving door de tijdsgeest en de geschiedenis.
    Een grote zaal is voorbehouden aan een doorlopend project van Marco Scotini. Het project bevat materiaal uit zijn “Archief van Ongehoorzaamheid”. Scotini wil een platform zijn voor nieuwe ontwikkelingen op politiek-maatschappelijk én cultureel-artistiek gebied. De zaal is ingericht als een werkplaats waar documenten en interactieve gegevens over burgerlijke ongehoorzaamheid  kunnen worden geraadpleegd en toegevoegd. Voor Scotini moet dit leiden tot vrijheid en vernieuwing in het kunstenaarsschap. Een mooie afsluiter van een boeiende tentoonstelling die de rol van de kunstenaar in het maatschappelijk patroon belicht en scherp stelt.    Roger D’Hondt Tot 6 januari. Kijk voor meer informatie op www.vanabbemuseum.nl